Jaargang 13, nr. 18, volgnummer 318, 28 januari 2012

Abonnee: Ko van de Velde 30-07-10

KoVelde2


Hij arriveerde elf jaar na nummer vijf, de oudste was al twintig, dus was hij als nummer zes een beetje het kakkenisje van de familie, al is dat al lang niet meer te zien. Ko van de Velde werd in 1942 in een huisje onder aan de Boulevard geboren. “Naast de winkel van Toontje Leenhouts”, vertelt Ko. “Zelf weet ik er niets meer van, alleen van verhalen uit de familie. Van de zes kinderen zijn er nu nog maar twee over.”

Van het zo noodlottige bombardement op Bresjes herinnert Ko zich niets. “Ik was nog maar twee jaar. Mijn moeder en een van mijn zussen zijn boven op me gaan liggen. Mijn zuster is geraakt en een dag later aan de gevolgen overleden.”
Het gezin Van de Velde moest, zoals zoveel ander Bressiaanders, vluchten en werd geëvacueerd in Axel. Na ruim een jaar ging het terug, eerst naar het noodplan en later naar de visserijbuurt, naar de Scheepvaartstraat. Ko ging in de Breskens naar de Christelijke school. Eerst nog de kleuterschool aan de Langeweg en later naar de school aan het Molenwater. “Bresjes was een leutig dorp. Beetje ruig misschien, maar het hart hebben de Bressiaanders allemaal op de goede plaats. In onze buurt werd veel gespeeld en af en toe gevochten. Meestal tegen de jongens van een andere straat, de Visserij- en de Scheepvaartstraat, dat liep niet zo lekker. Wel als er vreemden bij waren, die mochten er niet tussen komen. We konden elkaar toch niet missen.
Veel leute hadden we ook op de kaoje. We hielpen bij de haringvissers. Staande bovenop de vrachtwagen zout en ijs op de vis gooien. Ze hadden ons graag, wij werkten voor een fooitje, maar voor ons was het een prima zakgeld. Zat er andere vis tussen de haring, dan mochten we die mee naar huis nemen. Die vis ging in een emmer en die verdeelden we dan onder ons. Meestal stonden we met twee en soms met vier op een wagen. Thuis vonden ze ons dan wel naar de vis ruiken. Stinken deden we niet, dat deed alleen de puf.”
Na de lagere school vertrok Ko naar de ambachtsschool in Oostburg. “Ik wilde graag walmachinist worden. Een neef van me in Vlissingen was dat ook, dus vertrok ik na mijn schooltijd in Oostburg eerst naar de Schelde in Vlissingen voor een verdere opleiding. Walmachinist ben ik niet geworden. Ik was heel goed in plaatwerk en ze zagen me liever als scheepbouwer.”
Zijn carrière moest even wachten. Ko moest in dienst. Zijn latere echtgenote Marjo Verplanke kende hij toen al. “Zij zette vanaf 1958 de camping van haar vader, de Pannenschuur, voort. De Pannenschuur was een heel oud baken voor de scheepvaart. Het was de eerste schuur met pannen. Zagen de schippers dit dak, dan wisten ze dat ze voor Nieuwvliet waren. De schuur is vaak herbouwd, maar altijd met een pannendak.”
Ko hielp natuurlijk op de camping: “Ik kende Gerard Schrier uit Cadzand, die werkte in de zomer in zijn café en in de winter bij de firma Van de Sande in Breskens. Dat leek me wel iets. Bij Van de Sande had ik een prachtige tijd. Ik had door mijn werk op de Schelde veel papieren en mocht de leuke klusjes doen. De haringvissers begonnen toen radar aan boord te installeren. Prima werk. Na een jaar was het echter afgelopen. Het werd te druk op de camping. In 1964 zijn we getrouwd en hebben we de zaak overgenomen.
De zaak groeide met het jaar. We hadden de tijd mee, de recreatie was in opkomst. Ieder jaar weer stond de camping vol en kwam er het volgende jaar een halve hectare bij. Mijn schoonvader kwam op leeftijd en had de landbouwgrond niet meer zo nodig. Alleen zijn vee, zijn koeien, die waren hem heilig, dus was het aan het begin van het seizoen op vrijdagavond de koeienstront uit de wei halen, zaterdagmorgen een laag zand erover en op zaterdagmiddag stonden er dan de tenten. Dit heeft niet zo lang geduurd. De koeien mochten dan toch wel weg. De camping bleef groeien tot het huidige formaat, veertien hectare. Hier misschien groot, maar verder in Nederland meer een soort van middenmoot.”
Zelf heeft Ko niet vaak gekampeerd. “In mijn diensttijd, min of meer gedwongen. Later nog met mijn echtgenote, drie jaar, naar Spanje en Frankrijk. De laatste keer is onze tent weggewaaid en toen wist ik het: dit is niets voor mij. Het werd ook te druk op de camping. Het werden daarna wintervakanties.”
De eerste jaren waren zwaar, er moest veel gedaan worden. “Zelf kon ik veel, verder hebben we heel veel hulp gehad van familie en vrienden. Later kwamen er vaste mensen in dienst.”
Toch was er al die jaren nog tijd voor een paar hobby’s. Sinds veertig jaar is Ko van de Velde betrokken bij het Rode Kruis. “De opleiding in de beginjaren was heel anders dan nu, veel meer medisch. Ik moest in de weekenden stage lopen in het ziekenhuis in Oostburg, toen nog bij de bij sommigen nog bekende directrice zuster Mariette. Doktor Bom was leider van de colonne Oostburg. Ik heb het van hem overgenomen en ben het nog steeds.”
Sport maakte ook altijd een groot deel uit van het leven van Ko. “Ik ben twintig jaar lid geweest van BKC, van mijn achtste tot mijn achtentwintigste levensjaar. Verder heb ik jaren voetbal en ook even volleybal gespeeld. Maar, zodra je merkt, dat ondanks hard trainen anderen je voorbij lopen, word je te oud. Chris Francke vroeg me toen als keeper voor Oostburg. Dat heb ik vijf jaar gedaan en ben daarna gaan voetballen in Cadzand. Als een soort joker. Ik was overal inzetbaar. Later werd ik daar ook keeper. Ik bleef in het derde van Cadzand keepen tot mijn achtenvijftigste. Door mijn tijd bij BKC kon ik goed ballen vangen. Ik heb een goed gevoel voor de bal, ben lang en lenig. Verder heb ik van een trainer in Cadzand veel geleerd. Hij ging naar trainingen bij grote clubs in België, afkijken! Zelf ben ik nu al weer negen jaar keeperstrainer bij VV Breskens.”
Op de vraag waarom Ko abonnee is van Op Bresjes heeft maar één antwoord: “Omdat ik Bressiaander ben en blijf. Ik blijf het lezen, soms twee keer. Het is een leuk blad en zo blijf ik bij over alle gebeurtenissen in Bresjes.”

WV