Bressiaanders over vroeger (1): Jo Hovestadt 14-01-12

Was het vroeger zoveel beter dan nu? Hoe was het leven in Breskens en wat hebben de, nu oudere, dorpsgenoten vijftig of zestig jaar geleden beleefd en willen ze erover praten? Dit jaar gaat de redactie van Op Bresjes op pad om een aantal Bressiaanders te bezoeken en die verhalen achter deze mensen op te schrijven die we niet kennen en misschien niet hebben verwacht. Jo Hovestad (92) bijt het spits af.
Wie de kamer van Jo Hovestad in Hooge Platen binnenloopt, zal verrast zijn. Er staat een pc, er ligt een digitale spiegelreflexcamera en, is er een keer niets op televisie, zit Jo wel op internet te schaken met zijn tablet. Hij gaat duidelijk met zijn tijd mee en staat open voor nieuwe dingen. Vroeger en nu.
In 1936 kwam Jo met zijn familie vanuit Yerseke naar Breskens. Vader had werk bij de nieuwe machinefabriek van de firma Van de Sande en Jo moest er ook werken. “Ik had geleerd voor elektricien, dit was niet mijn vak, maar ja, ik moest wel mee met vader!”
Gelukkig voor Jo duurde het niet zo lang. In 1939 moest hij in dienst en kwam terecht bij de torpedodienst, hij werd torpedist. “Oh ja, we lieten hier en daar iets springen, maar het hield niets in, een half jaar later begon de oorlog.”
Terug in Breskens trok het werk bij Van de Sande niet. Hij vond een baan bij de Radiocentrale in Oostburg. “Die werd al snel overgenomen door de technische dienst van de PTT. Ik hoopte dat ik niet naar Duitsland zou moeten, ik deed toch wel belangrijk werk? Niets was minder waar. Ik was de jongste en moest als een van de eersten naar Duitsland. “
Er volgde een jaar in het verre Nordhausen. “Ik sliep met anderen bij particulieren en werkte ook daar weer bij de telefoondienst. Het was een achtergebleven gebied in het Thühringer Woud. Nog allemaal bovenleidingen en ik maar klimmen in die masten. Vlakbij was de Brokken, een vrij hoge berg die de Duitsers door Russen helemaal lieten uithollen om er werkplaatsen voor de V1 in te bouwen. Duizend Russen werkten er tot ze erbij neervielen. Dan kwamen er wel weer nieuwe. Soms kregen we een paar van deze mannen toegewezen om te helpen. Die moesten dan voor ons werk putten graven. We hebben destijds veel gelachen, ik riep altijd dat hun namen leken op een keer niezen en twee keer hoesten! Niet uit te spreken.”
Na een jaar kwam Jo even naar huis met verlof. “Ik had me daar geïnfecteerd, kreeg geelzucht en ben best lang ziek geweest. Na mijn herstel moest ik me weer melden in Breda. Met mijn koffertje ging ik op de boot. Met loden schoenen, maar ik had vernomen dat ik in de gaten werd gehouden. Eenmaal in Breda hoorde ik dat mijn trein al klaar stond. Ik moest weer weg. Laat ik nu toch de verkeerde trein nemen! Achteraf heb ik daar spijt van gehad. Ik was nu onderduiker en heb in de komende tijd zeker op twintig verschillende plaatsen gebivakkeerd. Ik voelde me steeds opgejaagd. Uiteindelijk belandde ik weer in Zeeuws-Vlaanderen, in Sas van Gent bij horlogemaker Piessens. Hier kwam ik een beetje tot rust en heb zelfs het vak geleerd.”
Tijdens het bombardement van Breskens was Jo even thuis. “Ik was met de laatste tram naar Breskens gekomen. Vader bleef in het bombardement.”
Zijn moeder vond een onderkomen bij familie in Yerseke en Jo ging als oorlogsvrijwilliger bij de Marine. “Ik hoorde in Sas van Gent van Bram Versprille dat er chauffeurs werden gezocht bij de staf van de Marine in Brussel. Iedereen die terugkwam uit Engeland zat daar toen. Ik heb heel wat gereden met officieren, een admiraal, een schout-bij-nacht. Ik mocht dat omdat ik toen geen alcohol dronk. Zo kwam ik in het al bevrijde Brabant terecht in een grote 12 cilinder zwarte Lincoln met een lange neus, vlaggetjes voorop, helemaal niets voor mij. Ik reed liever in mijn ‘eigen’ auto (zie foto - Jo met stropdas). Tot een van mijn taken behoorde ook het ophalen van de officieren uit bars zoals de Zwarte Kat in Brussel.”
Na bijna een jaar Brussel en later Antwerpen kwam er bericht uit Yerseke, moeder wilde toch wel naar huis, naar Breskens. “Ik vroeg aan mijn commandant of ik weg mocht. Het antwoord was duidelijk: nee.” Maar, Jo had nog wel een idee. Bij een bezoek aan Rotterdam maakte hij een klein ommetje naar Den Haag. “Daar was nog wel een hoge oom die ik wel eens uit een bar had gehaald! Ik vroeg om een persoonlijk onderhoud. “Wij kennen ons”, maakte ik de ordonnans wijs. “Kennen wij ons?” vroeg de schout-bij-nacht. “Ja, ik was chauffeur in Brussel.” “En?” “Ik wil graag een papier waar op staat dat de Marine mij niet meer nodig heeft.” Het papier kwam er, met een prachtige stempel erop. Of het allemaal rechtsgeldig was? Geen idee, maar ik kon naar Breskens!”
In Bresjes verbouwde Jo voor zichzelf en zijn moeder een bunker, vond werk bij de firma Quist in Oostburg en leerde ondertussen verder voor horlogemaker. “Ik ging nog steeds voor les naar Piessens in Sas. Al in de bunker kwamen mensen met hun wekkers en horloges voor reparatie. Nadat het noodplan gerealiseerd, was maakte ik daar een werkplaats annex winkel in een houten barak. Zolang mijn papieren nog niet in orde waren, werkte ik zogenaamd als bedrijfsleider voor de heer Leenhouts. Hij was voor de oorlog horlogemaker in het dorp. Later had ik al mijn diploma’s en was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en begin jaren vijftig bouwde ik mijn winkel met werkplaats en woonhuis aan de Mercuriusstraat.”
Het leek er toen op dat Jo zijn draai had gevonden. Leuk werk waar hij van hield, een gezin en een hobby, fotograferen. Wie Jo kent zal begrijpen, dat dit nog niet alles was. “Ik werd benaderd om foto’s voor de PZC, de Stem en het ANP te maken. Iemand had gehoord dat ik wel leuke foto’s maakte. Ik was toen al acht jaar lid van een fotoclub in Sas van Gent geweest. Ontwikkelde mijn eigen films. Ik maakte zelf mijn chemicaliën hiervoor. Samen met een verslaggever van de Stem bezocht ik ook bedrijven en dan maakten we een hele reportage. Zo waren we ook een keer bij Cruson. Een bloeiend bedrijf met veel werknemers. Meestal ging ik later terug naar deze zaken om een paar foto’s cadeau te doen. Zo kwam ik in gesprek met de baas zelf, Piet Cruson. “Wij maken hier nu zoveel dingen”, vertelde hij, “maar er kan vast nog meer. Wil je hier komen werken en een paar dingen voor me ontwikkelen? Je krijgt een eigen kantoor.”
Jo moest er even over nadenken. Hij had zijn winkel, zijn hobby en nu ineens ook weer een baas? Samen met Piet Cruson werd een oplossing gevonden, heel modern voor die tijd, variabele werktijden, want Cruson zei gewoon: “Nou als je weg moet of naar huis, dan ga je maar even.”
Uiteindelijk werk de winkel gesloten en Jo bleef ruim twintig jaar bij de firma Cruson en heeft in die tijd heel wat dingen ontwikkeld. “Mijn beste idee was wel het maken van vaten. Deze werden bij Cruson gecoat voor een firma in Sas van Gent. Alleen, die vaten moesten we inkopen. “Het zou leuk zijn als we die zelf konden maken”, meende Piet. Dagen, weken heb ik eraan geknutseld en ineens had ik het! Ik wist hoe het moest. Eureka! We konden vaten maken. Er werd staal gekocht bij Hoogovens en toen ging het even mis. Bij het dichtlassen bleek dat bij autogeen lassen de boel krom trok en bij elektrisch lassen alles lekte. Co2-lassen was toen helemaal nieuw. Ik vertrok naar een importeur, leerde daar drie dagen lassen en we waren eruit. Nu ja, hier moesten de mannen het nog van mij leren.”
Niet zomaar tevreden zijn, steeds nieuwe dingen proberen of uitvinden, Jo is nog niets veranderd. Hij maakt nog prachtige foto’s, al dan niet vanuit zijn scootmobiel en zoals we nu weten heeft ook een tablet geen geheimen voor hem.
WV