Ondernemende Bressiaanders: Sjaak van de Broecke

Sjaak thuis met zijn oldtimers.
Veel oudere Bressiaanders herinneren zich Sjaak van de Broecke nog uit de tijd dat hij met zijn VW busje vol met de prachtigste bloemen langs de deuren kwam. De bloemen zijn al lang verwelkt, Sjaak vond andere uitdagingen en ging andere wegen in. Vandaag omschrijft hij zichzelf als volgt: “Sinds 45 jaar (1965-2010) ondernemer en tevens avonturier, geboren in een bunker in de duinen, opgegroeid in het noodplan, alleen lagere school en nu miljoenen in onroerend goed!” Over zijn jeugd in Breskens en het begin van zijn zakencarrière vertelt Sjaak het volgende:
“September 1946. De nacht dat ik het levenslicht aanschouwde, mag best als onstuimig bestempeld worden. De molen van De Groe waaide omver. De dokter, door mijn vader gehaald, donderde in een bomkrater. De brave man moest eruit getrokken worden. Mijn ouders waren Bresjes uitgebombardeerd en geëvacueerd naar Walsoorden. Mijn vader kon het daar als Bressiaander niet gewend worden. Hij moest en hij zou terug gaan naar Bresjes. Maar dat was nog spergebied. In de duinen bij Nieuwe Sluis zag hij een leegstaande bunker en een eindje verderop een waterput. Hij vond een ledikant, stoelen en een tafel. Voorts ritselde hij bij boeren een varkentje, een geit en wat hoenders. Wat hij verder te kort kwam, jutte hij op het strand. Er spoelde genoeg aan in die tijd.
Mijn moeder vertelde mij later dat het haar gelukkigste tijd was geweest. Toen er woningen gereed kwamen, verhuisden we naar het noodplan. Mijn vader had werk gevonden in de bouw. Dat betekende wel vaak vorstverlet tijdens de wintermaanden. Eenmaal zelfs dertien weken. Soms ontving hij pas na weken een klein voorschot. We waren zo arm als de mieren. Mijn moeder moest elk dubbeltje wel drie keer omdraaien, alvorens het uit te geven. En ook dat laatste dubbeltje, was er dan uiteindelijk niet meer.
Ik was iedere dag aan de kaoje te vinden. Op mijn klompen en in mijn paonenbroek en met een linnen zakje. Als de Urker vissers dan haring losten viel er wel eens een uit de mand, dan dook ik er naartoe en verdween hij in mijn linnen zak. Ik was toen negen jaar oud. ‘s Zomers ging ik vaak naar het oude veerplein. Daar stonden twee patatfriteskramen. Na een drukke dag met veel wachttijden, lag dat bezaaid met lege zakjes en andere rommel. Ik ruimde dat op en mijn beloning was van de een een zakje frites en van de ander een ijsje. Soms vond ik de Donald Duck op de vuilnisbelt, droogde die bij de kachel, en wat nog leesbaar was, las ik wel tien keer.
Op de oude locatie van de snoepjesfabriek van Verduijn, stond een verbrandingsoven. Daar werden onder andere de misbaksels in verbrand. Aan de rand van de oven kon je dikwijls nog snoepjes vinden die niet verbrand waren. Als het personeel dat zag, moest je wel hard kunnen lopen.
Drogisterij Krensen, in de Philips van Kleefstraat, hoek Weijkmanlaan, was een van de eersten die een televisie had. Buiten, aan de achterzijde van het huis, kon je meekijken. Op school zat ik vaak naar buiten te kijken en te dromen. Iedere dag moest ik nablijven om mijn werk af te maken. Voor rekenen ben ik niet hoger dan een vijf gekomen. De bijbelse verhalen die de meester vertelde vond ik het mooiste. Met open mond luisterde ik ernaar. Meester De Bree vertelde ook dat in Amerika alles zo groot was. Dat ze daar bomen hadden zo groot dat ze er een autoweg dwars doorheen maakten. Dit zijn beelden uit mijn kinderjaren. Voor de tegenwoordige jeugd is er wel het een en ander veranderd.
Op mijn veertiende jaar ben ik mijn loopbaan gestart als loopjongen op een bloemenkwekerij in Vlissingen. Mijn salaris bedroeg vijftien gulden per week. Een week duurde tot zaterdagmiddag 12.00 uur. Al gauw ontdekten ze mijn verkooptalenten en mocht ik de klanten helpen. Er stond een hele grote Hibiscus in de kas. Het ding moest weggegooid worden wegens plaatsgebrek. “Geef maar aan mij, ik zorg wel dat hij weg is”, zei ik. Diezelfde week nog verkocht ik hem voor ƒ 7,50. Dat was wel een halve week salaris.
Van een oud vrouwtje in IJzendijke, kreeg ik een stekje van een heel mooi plantje. Behaard, met een prachtige diep paarse gloed (Gynura auranthiaca). Thuis begon ik er van te kweken en nam een plantje mee naar de kwekerij. Na een jaar zei mijn baas: “Dat plantje van jou, daar zit helemaal geen groei in, het is nog net zo groot als vorig jaar!” Wijselijk hield ik mijn mond dicht, ik had er al bijna honderd van verkocht. Telkens nam ik een andere mee.
In het voorjaar van 1964 had mijn baas te veel dahlias gekweekt. “Gooi ze maar weg”, zei hij. Ik vroeg hem nog even te wachten. Gewapend met een pen en een blocnote ging ik in Bresjes huis aan huis langs de deuren. Meer dan duizend dahlias verkocht ik op bestelling, levering half mei. Vanaf die tijd kocht ik iedere week handel van mijn baas, leende zijn bakfiets en ventte de bloemen in Bresjes op vrijdagavond en op zaterdag uit.
Op 11 februari 1965, ik was toen achttien jaar, ben ik met mijn ouders naar de kantonrechter in Oostburg gestapt. Voor het aanvragen van een handlichting, om zelfstandig zaken te doen. Met achttien jaar was je nog niet meerderjarig. Met mijn nieuwe motorbakfiets ging ik de kwekerijen af om handel te kopen. Toen pas werd ik echt geconfronteerd met de geïsoleerde ligging van Zeeuws-Vlaanderen. De Nederlandse bloemencentra waren ver weg. De Belgische dichterbij, maar moeilijk door alle grensformaliteiten. Al snel maakte ik een dubbele bodem in mijn bakfiets die de douane niet kon zien. Maar dat maakte de wachttijden niet korter en de papierenwinkel niet minder. Op een dag was er een nieuwe douanier en die kwam met nog een extra nieuw formulier. ”Hier ga ik niet op wachten”, vertelde ik hem. ”Ik laat je niet doorrijden”, zei hij en ging voor mijn bakfiets staan. Dat zullen we dan wel zien. Ik startte de motor en gaf vol gas. De man kon nog net opzij springen. Dat heeft me wel veel geld gekost.”
“Met mijn eerste VW bus, bouwjaar 1959, was ik al een stuk mobieler. De grens met zijn rompslomp zag ik niet meer zitten. ‘s Nachts oversteken was veel spannender en tijdsparend. Maar ik had pech. In die tijd werden er veel sigaretten vanuit België gesmokkeld. De vliegende brigade was extra alert. Ze kregen me twee keer te pakken. Dan werd ik opgebracht naar het belastingkantoor in Oostburg. De ontvanger moest dan uit zijn bed gebeld worden en die was dan behoorlijk pissig. Alle planten moesten worden geteld. “Ja Sjaak”, zei de ontvanger tegen me, “als we je nu nog eens een keer pakken, nemen we je auto in beslag. Ze hebben me niet meer gepakt. Ik kende inmiddels alle illegale grensovergangen van Truzement tot Philippine. Een keer was ik, volgeladen met handel, net de grens overgestoken, toen ik de douane zag staan. Halsoverkop ben ik omgedraaid. Mijn planten gelost bij een kennisje en met een hele grote omweg terug naar Bresjes gereden. Thuis aangekomen stond de douane me al op te wachten. Toen ze mijn auto openmaakten had je hun teleurgestelde gezichten eens moeten zien. Toen heb ik wel moeten lachen. De andere nacht heb ik mijn plantjes opgehaald. De spanning, het avontuur, de adrenaline en de kick die dat gaf. Ik kon dat gewoon niet missen. Iedere keer als ik een uit België gesmokkelde Azalea aan een Belg in Sluis verkocht. dacht ik: “Die gaat weer terug waar hij vandaan komt” en genoot. Mijn vader zei altijd: “Werken moet spelen zijn.” Het spel kwam voor mij altijd op de eerste plaats, daarna pas de knikkers. Maar ik denk dat een spel zonder knikkers toch niet zo leuk zou zijn.
Op mijn 21e liet ik mijn bloemenwinkel “De Schorrebloemme” aan de Langeweg bouwen. Op mijn 35e had ik reeds 25 panden die ik verhuurde. In mijn bloemenwinkel heb ik niet veel gestaan. Tussen vier muren is niks voor mij. Iedere week moest ik alle dorpen in West-Zeeuws-Vlaanderen zien en nog een stukje van het oosten. Na het open gaan van de grens, was voor mij de lol eraf.”
Sjaak besloot zijn lust op avontuur te verplaatsen naar andere continenten: “In 25 jaar heb ik meer dan 40 landen doorkruist. In Irian Jaya (Nieuw Guinea) heb ik met alleen een peniskoker aan, tussen de Papoea’s gelopen. In de Sinaï woestijn heb ik de berg Sinai beklommen. In Egypte en Jordanië ben ik wel op vijf plaatsen geweest, waar Mozes met zijn stok op de rotsen heeft geslagen. Dat moet wel een heel goede stok geweest zijn. Ook de bomen van meester De Bree heb ik gezien, de Sequoia’s in Californië. De boom met de autoweg er doorheen, was er niet meer. Die was al omgewaaid. Maar ik heb er wel foto's van gezien.
Met een camper heb ik in drie maanden de VS doorkruist en achttienduizend kilometer afgelegd. Om nog traditionele culturen te vinden, moet je al naar de uithoeken van de wereld reizen. Dan besef je pas goed, hoeveel de missionarissen kapot hebben gemaakt. Alleen maar om zieltjes, macht en geld. Het resultaat, armoede en overbevolking. Gelukkig zijn er geen missionarissen in het zuiden van Ethiopië geweest. Hier heeft de tijd een paar duizend jaar stil gestaan. Deze stammen leven in harmonie, volgens de wetten van de natuur. De vrouwen lopen rond in dierenhuiden. Je ziet er Bijbelse taferelen. Mannen die een geit op hun schouders dragen. Hun cultuur bestaat reeds duizenden jaren en kan nog duizenden jaren voort blijven bestaan. Ze nemen alleen van de natuur wat ze nodig hebben en belasten deze minimaal. In tegenstelling tot onze cultuur. Ethiopië is een prachtig groen land. Als er hongersnood is, wil dat niet zeggen dat er geen eten is. Soms ligt het een paar honderd kilometer verder te rotten, omdat er transportproblemen zijn.
Zuidoost-Azië ken ik als mijn broekzak. In Thailand was ik verloofd met Sopita, de dochter van een rijstboer uit de Isan (Oost Thailand). Een traditioneel verlovingsfeest in de plaatselijke tempel. Voor het altaar met daarop vijf monniken moesten we knielen. De ceremonie duurde wel heel erg lang en de vloer was erg hard. Ik wilde overeind komen, maar iedere keer als ik dat probeerde, smeet de oudste monnik met een grote kwast venijnig een klets water op mijn kop zodat ik weer terugzakte. In de Boeddhistische cultuur is het gebruikelijk dat voor de dochter een bruidschat wordt betaald. Voor Sopita werden acht koeien gevraagd. Eigenlijk was haar vader met vijf tevreden geweest. Maar haar moeder had er nog drie bij gedaan, omdat ik een Falang was (Foreigner, maar dat kunnen ze niet uitspreken). Nu wist ik van mijn Chinese vriendin Minh Yen dat de bruidsschat afhankelijk is van de status van de familie en de leeftijd van de dochter. Voor een meisje tot achttien jaar wordt het meest betaald, als ze nog maagd is tenminste. Nu was Sopita al achtentwintig jaar en al lang geen maagd meer. Na een beetje informatie bleek dat acht koeien een kleine € 20.000,= kosten. Maar het was een mooi feest geweest, met de hele familie. Later ga ik nog wel eens terug.
In Myanmar (Birma) de bakermat van de Boeddhistische cultuur, heb ik de heilige berg Mount Popa beklommen. Lange trappen leidden naar een heilige tempel, aan de top. In Vietnam heb ik verschrikkelijke dingen gezien, mismaakte en invalide mensen die niet konden lopen en die zich op hun buik, door de modder moesten voortslepen. Dat had niets menselijk meer.
In het zuiden van Vietnam, de Mekong Delta zat ik met mijn Vietnamese vriendin vis te eten in een restaurant. Ik was nu meer dan twee maanden in Vietnam. Zes weken eerder was ik vanuit Saigon met de lokale bus naar Phnom Penh (Cambodja) vertrokken. Er waren niet veel reizigers, maar de bus was volgestouwd met goederen. Aan de grens ging het fout. Er klopte iets niet van de papieren. De bus werd aan de kant gezet. Het zou enkele dagen duren alvorens deze weer verder mocht rijden.”
“Liftend ben ik in Phnom Penh aangekomen. Daar ontmoette ik een meisje. Het bleek dat ze uit Vietnam kwam. Ik pakte mijn Vietnamees frasebook, maar toen bleek dat ze niet kon lezen of schrijven. Een eindje verder woonde een oude Vietnamese vrouw die Engels sprak. Alles wat het meisje vertelde, vertaalde ze voor me. Ze had in een klein eetzaakje op het terrein van bus terminal Mien Dong gewerkt. Vandaar vertrekken alle bussen naar het noorden. Op haar achttiende verjaardag was haar moeder gekomen en had haar meegenomen naar een hotel. Daar stond al een man hun op te wachten. De man gaf haar moeder 500 dollar en zei haar mee te komen in het hotel. In de kamer werd ze door hem verkracht en ontmaagd. Daarna kon ze niet meer lopen en moest met een cyclo (fietstaxi) terug naar de terminal.
Enkele weken later kwam haar moeder weer en nam haar opnieuw mee. Dit keer staken ze in een klein bootje onderdeks de Mehkong rivier over, passeerden illegaal de grens en reisden naar Phnom Penh. Daar werd ze door haar moeder verkocht voor nog eens 500 dollar verkocht aan een bordeel. Ze was hier nu drie dagen, werd slecht behandeld, en had heimwee naar Vietnam. Ik heb haar vrijgekocht en gezorgd dat ze terug kon keren. Voor haar moeder heb ik ook gezorgd! Ik heb geregeld dat ze een paar maanden de bak is ingedraaid.
Nu zat ik met haar in het restaurant en genoot van mijn vis. Deze was verrukkelijk, zo mals, ze smolt op mijn tong. Communicatie met haar ging met handen, voeten en de rest. Ze probeerde me iets uit te leggen over de vis, deze zou iets met poep te maken hebben. Maar dat begreep ik niet. Plots zag ik in een hoek van het restaurant op de grond wat vuile vaat staan. Enkele ratten waren bezig de potten en pannen uit te likken. Verschrikt stond ik recht, wees met mijn vinger, en riep “Con Chout, Con Chout“ (ratten, ratten). De overige gasten keken me vreemd aan en begonnen hard te lachen. Blijkbaar was dit normaal hier.
Na afloop van de maaltijd begaf ik me naar het toilet. Hier moest ik wel even naar zoeken. Aan de achterzijde van het restaurant lag een grote vijver, vol met vis. In het midden was op palen een bamboehutje zonder dak gebouwd. Een bruggetje leidde er naartoe. Ik zag een hoofd en hoorde iets plonsen. De vissen schoten erop af en hapten gretig toe. Dit was dus de wc. Nu snapte ik het, maar de vis was overheerlijk.
Na een jaar was ik terug in het zuiden en kwam enkele gasten uit het restaurant tegen, ze kenden me nog. Ze riepen naar me Con Chout, Con Chout, en liepen lachend verder. Als mensen zeggen dat er armoede is in Nederland, moeten ze zich de ogen uit hun kop schamen, want er is geen armoede in Nederland! Als sommige mensen hun levensstandaard niet meer kunnen betalen, dan zeg ik oké, dat is mogelijk. Dan moeten ze eerst maar eens stoppen met sigaretten roken en alcohol drinken. Als mensen schulden hebben, is dat meestal het gevolg van het niet kunnen beheren van hun financiën. Ik heb armoede gezien in Afrika en andere continenten, maar het meest schrijnend is de armoede op de Philippines. Het grote verschil tussen arm en rijk. Manila heeft veel krottenwijken met bouwsels van hout, karton en plastic. Dicht op elkaar gepakt, zonder elektriciteit, stromend water en met open riolen. Kleine kinderen die hongerend over straat zwerven, op zoek naar wat te eten, die geen dak boven hun hoofd hebben en in een kartonnen doos moeten slapen. Ik heb het meegemaakt dat zulke kinderen vochten om wat vellen en botten, die ik had achtergelaten in een eettentje. Dat is armoede. Deze kinderen zijn de dupe van hun ouders, die geen enkel verantwoordelijkheidsgevoel hebben. Die maar het ene kind na het andere op de wereld zetten. Zonder zicht af te vragen of ze het wel te eten kunnen geven. Aan de andere kant begrijp ik het ook wel. Als je niets hebt, wat kan je dan anders doen 's avond als het vroeg donker is. Deze buurten zijn niet ongevaarlijk en het stadsdeel Tondo kun je maar beter mijden als je leven je lief is.
Ik liep in zo'n krottenwijk, een jonge vrouw kwam naar me toe, pakte me bij mijn arm en zei: ”Ik ga met jou mee, want je komt uit een rijk land!“ “Ja”, zei ik, “maar er zijn daar maar weinig mensen die gelukkig zijn!”
Ze trok aan mijn arm en keek me recht in mijn ogen en zei. ”Ik heb honger, maar jullie niet!” Een paar honderd meter verder, buiten de krottenwijk, was een duur restaurant. De rijken zaten zich daar welvoldaan vol te vreten. Ik wilde naar dat restaurant toe stappen en de boel kort en klein slaan en al die hufters die daar zaten met hun koppen tegen elkaar rammen. Maar ja, dat mag eigenlijk niet. Dus in plaats daarvan heb ik een half uur staan huilen. Om de bittere ellende, die ik had gezien. Het probleem is dat het moeilijk is om daar uit te geraken. Voor sommigen is er echter wel een mogelijkheid. Als je twee gezonde nieren hebt, kun je er een van verkopen. Die worden dan ook regelmatig aangeboden. Deze verhalen zul je niet in een reisgids vinden.
In 1521 zetten de Spanjaarden voor het eerst voet aan wal op het Philippinese eiland Cebu onder leiding van Magalhas. Ik slenterde door de straten van Cebu City. In een straat zat een oudere dame op een bank. Ik ging naast haar zitten en we raakten aan de praat. Ze vertelde dat een dochter van haar getrouwd was met een Zwitser. Ze had nog een dochter. Deze was bereid mij de touristic spots en het oude Spaanse fort te laten zien.”Oké geen probleem”, zei ik. Het meisje was niet bepaald mijn type (kop, kont en geen model). Na het fort en de plafondschildering van Lapu Lapu, die de Magalhaes doodde, vroeg ze me: “In welk hotel logeer je? Mag ik je kamer eens zien?” “Oké geen probleem”, zei ik. ”Ooh, wat een mooie kamer”, zei ze. “Wacht, ik ben zo terug!” Na twintig minuten kwam ze met heel haar hebben en houwen en trok bij me in. Haar familie, zusters, zwager, neven en nichten, vatten post bij de ingang van het hotel. Als we uit gingen, kwam de hele meute achter ons aan. Soms moest ik vier taxi's huren om het hele gezelschap te vervoeren.
Na een week begonnen ze over trouwen te praten. In paniek ben ik het eiland afgevlucht. Naar het naburig gelegen eiland Bohol. Het hotel dat ik had uitgezocht stond in mijn reisboek omschreven als een goed middenklasse hotel. Overal hingen bordjes: eten meebrengen op de kamer is niet toegestaan. Mijn lunch voor de volgende dag had ik al gekocht en plaatste deze op de tafel. ‘s Nachts werd ik wakker van een lawaai. De hele tafel zat vol met ratten die zich tegoed deden aan mijn lunch. Grote en kleine. Ik pakte een schoen en smeet deze naar hun kop. Ze doken even weg, maar kwamen vrijwel onmiddellijk weer terug. Mijn tweede schoen, had niet meer effect. De volgende morgen waren er zelfs geen kruimels meer over. Bij de receptie ging ik klagen. ”Waren het de grote of de kleintjes?” vroeg de vrouw laconiek. ”Allebei verdomme”, antwoordde ik. “Tja”, zei ze, “geen eten op de kamer hè.”
“In het noorden van het Philippinese eiland Luzon, Mountain Province, was ik te voet de bergen ingetrokken. De stammen hier waren vroeger koppensnellers. Avonds kon ik met geen mogelijkheid nog terug. In een klein bergdorpje was een man zo vriendelijk me uit te nodigen om in zijn woning te overnachten. Het was het grootste huis van het dorp. De kamer waar ik kon slapen was volgestouwd met big bags die vol zaten met cannabis, om hasj van te maken. De volgende morgen vulde de man een pan op en strooide die uit voor zijn kippen.
Met mijn Philippina vriendin Baby cool (de enige echte) reisde ik met mijn auto over het eiland Negros Occidental op weg naar haar grootmoeder. ”Er is maar een weg, het kan niet missen, just trust your navigator.” Normaal duurt de reis vier uur (200 kilometer). De weg werd steeds slechter, totdat er bijna geen weg meer was. Gelukkig had de auto een 4x4 drive. We kwamen door afgelegen bergdorpjes. Ik vroeg haar voorzichtig of we toch wel goed reden? “We nemen de short cut, just trust your navigator.” Midden in de nacht, na ongeveer tien uur rijden, kwamen we bij grootmoeder aan. Toen ik haar vertelde hoe we waren gereden, verschrok ze: “Dat is N.P.A.-gebied (new people army, een terroristische organisatie). Daar durft de politie zelfs niet te komen.”
Op het Indonesische eiland Biak ging ik met een visserman mee op zee. Nadat het vertrouwen wederzijds was gewonnen, kwamen de verhalen. Wij hoorden wel eens, dat de Nederlandse regering geen steun aan Indonesië wilde geven, omdat deze de mensenrechten zou schenden. Het schenden van mensenrechten is een vaag begrip en de Indonesische archipel is ver weg. Nu echter zat ik er middenin. Een aantal jaren geleden was er op het eiland een vreedzame demonstratie geweest. Meer dan 1000 mensen liepen mee. Op een gegeven moment werd de nationalistische vlag van het eiland gehesen. Onmiddellijk kwam het leger in actie en begon te schieten. Tientallen doden, waaronder een broer en een neef van de visserman. De leiders werden opgepakt. Ze zijn verdwenen, niemand heeft ooit nog iets van hen vernomen. Dat heeft nooit in de kranten gestaan.”
“In Kuta op Bali was ik ingetrokken in een hotel waar de kamers rond een binnenplaats waren gebouwd, in twee verdiepingen. Ik had een kamer op de begane grond. Midden in de nacht werd ik wakker van een laweit, het kwam van de eerste verdieping aam de overkant. Een groep van vijf mannen en vrouwen waren luid aan het lachen, gieren, brullen en zuipen. Ik sloeg een handdoek rond mijn middel en ging naar buiten. Vriendelijk vroeg ik of het wat stiller kon, want morgen moet ik vroeg op, legde ik uit. Ze lachten me midden in mijn gezicht uit en gingen gewoon door. Ik werd kwaad, pakte een leeg bierflesje dat door de vorige gasten was achter gelaten en knalde het boven hun koppen tegen de muur.
Nu verschrokken ze. “We hadden wel gewond kunnen zijn“, zei er een. “Dan moet je maar stil zijn”, zei ik. Nu werden ze boos. “Wacht maar ouwe lul, we komen naar beneden om je even te helpen.” De daad bij het woord voegend, kwamen ze langs twee kanten de trap af. Een maand tevoren had ik op Sumatra twee gesmede krissen gekocht, vlijmscherp geslepen. Ik brulde tegen mijn zoon: ”Pak de krissen uit mijn koffer, snel, snel, snel.“ Ik heb hem nog nooit zo snel een koffer zien open maken. Hij gaf me de krissen, ik sprong, zwaaiend met in elke hand een kris, naar voren. De handdoek viel op de grond en mijn aanvallers vluchtten alle kanten uit. Daar stond ik midden op de binnenplaats in mijn blote kont. De ogen van de vrouwen die op het balkon waren gebleven, puilden uit. Ik keek rond me en zag de gordijnen van de andere kamers weer zakken. Het is verder wel rustig gebleven die nacht. De andere dag op Lombok, zagen wij op televisie dat er een bom ontploft was in het restaurant in Kuta waar we een week lang iedere avond hadden gegeten. Zeven doden. Als je het over het oog van een naald hebt.”
“Nergens anders heb ik grotere kakkerlakken gezien dan op het eiland Flores. Wel zeven centimeter lang. Als je ze dood slaat kraken ze als noten. In het restaurant van hotel Permatasari bestelde ik een buko juice (kokosmelk). De ober noteerde mijn order, klom vervolgens in een palmboom, kapte een kokosnoot, maakte deze open, met zijn machete en serveerde hem vervolgens netjes op een schoteltje met rietje erin. Waar vind je dat nog!
Er is geen land geweest, waar ik me zo onveilig heb gevoeld, als in Zuid-Afrika. De sfeer van haat hangt er in de atmosfeer. Met een camper heb ik er 13.000 kilometer gereden. Op een avond, in een klein dorpje, zag ik dat er een feest gaande was. Als ik zoiets in Indonesië zag, stopte ik altijd, maakte foto's en ging meefeesten. Hier durfde ik dat niet. In mijn gedachten zag ik al twee kookpotten staan. Een grote voor mij en een kleine voor mijn zoon bamboo.”
“Nu vier ik mijn 45-jarig jubileum. De sleutel tot succes is simpel:Een beetje doorzettingsvermogen, een beetje zakelijk inzicht, wat energie, fantasie, wat geluk en soms nog wat bloed, zweet en tranen. Het belangrijkste zijn de mensen, die je omringen. Educatie is belangrijk, maar het hele leven zelf is een groot leringproces. Creëren is het allerbelangrijkste. Maakt niet uit wat. Als het maar voldoening geeft. Zolang je blijft scheppen, blijf je leven (je moet ook blijven ademen natuurlijk).
De laatste 45 jaar is er veel veranderd in Nederland. De balans is naar de verkeerde kant doorgeslagen. De privacy van criminelen en schuldmakers bijvoorbeeld wegen zwaarder, dan de belangen van de slachtoffers. De heren hoogleraren zeggen dat straffen niet helpt. Ik ben geen hoogleraar, maar denk er heel anders over. Een gezonde boom moet gesnoeid worden, anders krijg je wildgroei. In Nederland is er veel te veel wildgroei.“
Een bijzonder verhaal van Sjaak van de Broecke. 45 jaar handelen en reizen. Nu is het niet zo dat hij nu al op zijn lauweren rust. “Ik heb vroeger wel honderd uur per week gewerkt, nu nog tussen de veertig en zestig gedurende zes dagen per week. Stilzitten is niets voor mij, ik ben nooit gerust.”
Zijn bedrijf Renover is voornamelijk in Vlissingen actief. Sjaak is bij alles nauw betrokken. “Ik zorg ervoor dat de metselaar kan metselen en de timmerman timmeren, dus dat er stenen zijn en hout is. Zelf hou ik me meestal bezig met het schilderwerk en met de administratie.”
Sjaak is nu 64 jaar, hij heeft, voor zover bekend, vijf kinderen, de oudste is veertig en de jongste twaalf. Hij is ook al grootvader. Meer kinderen zijn niet uitgesloten. Zijn huidige vriendin is dertig, de wens is er, dus er wordt aan gewerkt.