Bressiaanders over vroeger (2): Jane Monjé-Perduin 28-01-12
Een leven lang veel en hard werken, een versleten knie, een hartaanval en ook een longembolie hebben Adriana Cornelia (Jane) Monjé - geboren Perduin - niet klein gekregen. Ze is al negentig jaar maar woont nog zelfstandig in haar huis in Ghistelkerke.
“Die zevenhonderd vierkante meter ook nog zelf onderhouden lukt mij niet meer”, zegt ze, “maar ik heb al iemand gevonden die dat voor mij doet.” Toen zij de longembolie kreeg was dokter Laterveer snel ter plaatse. Ook zoon Hans kwam poolshoogte nemen en stelde voor - als het over was - lekker mosselen te gaan eten in Terneuzen. Die rit naar Terneuzen ging inderdaad door, maar de bestemming werd niet het restaurant maar het ziekenhuis aldaar, waar Jane drie weken moest blijven. Ze ontmoette daar al snel enkele oude bekenden, waarbij de nodige herinneringen werden opgehaald.
Jane werd in 1921 in Schoondijke geboren als de één na oudste van twee jongens en twee meisjes. Haar broers en zus zijn inmiddels al overleden. Op haar dertiende ging ze als meid ongeveer zes jaar bij een ‘oud mens’ werken voor 1 gulden en 25 cent per week. Daarna bij een van haar tantes, maar dat duurde slechts zes maanden. “Zij ging op de reutel en ik kon het werk doen”, was de vrij korte samenvatting van Jane. Haar volgende werkplek was die bij huisarts dokter Emmen op de hoek Dorpsstraat - Burgemeester van Zuijenstraat). Zij hadden twee kinderen, zoon Leendertje en dochter Hermien.
“De doktersvrouw was niet zo makkelijk”, volgens Jane. “Zij sliep van 13.00 tot 15.00 uur en daarna ging ze weg tot 17.00 uur. Ik zei gewoon waar het op aan kwam”, zegt Jane.
Na er vierenhalfjaar te werken werd Breskens gebombardeerd. “Alles lag in puin. De familie verhuisde naar Spakenburg, waar de vader van de dokter dominee was.” Jane ging mee, maar zij hield het na drie maanden voor gezien. “Ik bleef niet in dat vrome gat”, was haar argument om te vertrekken, hoewel zij altijd graag in dat gezin had gewerkt. Vooral zoon Leendertje kon het goed met haar vinden en beschouwde haar vaak als moeder. Recent ontving Jane nog bericht van zijn overlijden.
Jane keerde op vijfentwintigjarige leeftijd terug naar Breskens en werd meid bij de ouders van Marien Monjé, haar latere echtgenoot. Marien was in die tijd veel ziek en maakte lange ziekteverblijven door in de ziekenhuizen van Sluiskil en Leiden. In 1949 trouwde Marien met Jane. Marien kocht toen een draaiorgel bij Kaatje Soeters in Bergen op Zoom, waarmee zij ieder jaar de kermissen van West-Zeeuws-Vlaanderen afgingen, te beginnen in Groede met Pasen. Daarmee voorzagen zij zo’n zes jaar in hun levensonderhoud. Ze woonden in een huis van Riet Maas op de Boulevard.
In 1955 kocht het echtpaar het café op het Spuiplein van vader Monjé. Daar trokken zij na half oktober in, na de laatste kermis te hebben gedraaid. In het café aan het Spuiplein stond ook al een draaiorgel, een Minerva. Afgesproken werd dat Jane het café zou runnen, Marien zou met het andere draaiorgel de kermissen blijven doen. Naast het café en het mobiele draaiorgel werden ook regelmatig koeien gekocht en verkocht op de markt. In 1954 werd zoon Hans geboren, die nu met partner en dochter in het Belgische Blankenberge woont. In 1962, zeven jaar na de aanschaf van het café, overleed Marien plotseling op 43-jarige leeftijd en Jane stond er ineens alleen voor.
“Toch was ik nooit ergens bang voor”, zegt Jane, “al haalden die ‘rotzakken’ af en toe het bloed wel van onder mijn nagels!” Dan heeft zij het over niet nader te noemen Bressiaanders en Vlissingers die uitprobeerden hoever zij met haar konden gaan, zoals binnen willen komen na sluitingstijd.
Natuurlijk waren er ook heel gezellige, vaste klanten die bijvoorbeeld “Hoor mijn lied Violetta” konden zingen of zomaar ineens een volle vleespan leeg aten. ‘Top’-bezoekers waren onder andere Bressiaanders die luisterden naar de (bij)naam Jan Noffel, Broekje, Dane en Camiel Kalle.
Na 23 jaar (in 1978) hield zij het voor gezien en liet zij een huis in Ghistelkerke bouwen. Ze ziet graag terug op een drukke tijd met vaak veel plezier, maar ook af en toe wat zorgen. Na de overdracht van haar café in 1978 werkte Jane nog enkele jaren in Sluis. “En ik heb ook nog enkele jaren op kleine joengens gepast”, besluit ze haar verhaal over vroeger.
RC