De Schakel, 455

schakel70

Ingezonden
Buiten verantwoordelijkheid der Redactie
Dezer dagen had ik een paar kleine boodschappen te doen, postzegels kopen en distributiebescheiden afhalen. Klokslag 9 uur stond ik voor ‘t postkantoor, ‘n Rood emaile plaat verkondigd met witte letters dat ‘t kantoor o.a. geopend is van 9-12 uur. ‘k Stap ‘t kantoor binnen en na ‘n wederzijds “goeden morgen”, vraag ik mijn verlangde zegels en kreeg ze ook direct, bijgevolg dat ik ‘n halve minuut over negen weer op straat stond. Zo helpen de postambtenaren ons al jaren vlug, vriendelijk en correct.
Om half tien stap ik naar het distributiekantoor. Hier wordt – door een gedrukte kaart voor de ramen bekend gemaakt dat op dien en dien dag het kantoor van 9.30 geopend is. Nu blijkt mij dat de deur inderdaad geopend is, doch in het lokaal vind ik geen ambtenaar doch wel een roodgloeiende kachel van flinke afmetingen. Tussen 9.35 en 9.50 vallen achtereenvolgens drie heren en een dame binnen, later nog gevolgd door een heer, die zei dat het buiten zeer koud was, iets wat wij ook al wisten. De dame en de heren stelden zich zonder commando’s af te wachten in een kring rond de kachel, en één begon een tamelijk langdradige recensie over een film die hij gezien had. Het was al enige tijd 10 uur toen er één begon de lange tafel wat dichter bij de kachel te werken. Toen er blijkbaar voldoende publiek was, begon de voorstelling.
Op de tafel verschenen enige pakken waaruit een groot aantal pakjes bonkaarten netjes uitgestald werden.
Drie of vier keer werden de kaarten nageteld. Ja secuur zijn ze op de D.B. kantoren. Zo komt het dat er op die kantoren geen enkele kaart in verkeerde handen komt.
Eindelijk nadat een der heren, nog eens een verse sigaret had opgestoken en de dame in een soort spiegeltje gekeken had, werd de zaak voor het publiek opengesteld en viel mij de eer te beurt als eerste voor de tafel te mogen verschijnen om het mij toe komende in ontvangst te nemen.
Toen ik buiten kwam was het vijf minuten over half elf.
Het is best mogelijk dat op mijn goeden morgen een der ambtenaren iets terug zei, doch dat kan ik mij niet herinneren. Toch heb ik dien dag lang en breed nagedacht over het grote verschil tussen post- en distributie-ambtenaar. Maar wat op de post mogelijk is, kan toch ook elders?
De oorzaak? ‘k Denk dan aan het gezegde van een fabriekselectricien die als wij eens met het licht sukkelden altijd opmerkte: … als het niet aan de lamp ligt zal het wel aan de leiding mankeren.

Aert v.d. Ploeg

Ingezonden
Buiten verantwoordelijkheid der Redactie
Loket D.K. Oostburg
Deze woorden staan deze week bij alle werkgevers en werknemers in hun hersens gegrift. Wat is het geval? Vorige week en deze week kregen alle werkgevers en werknemers een kaartje van de Distributiedienst om op 4 Juni om hun toeslag bijzondere arbeid te komen. De meesten ging het net als mij, ze dachten laat ik niet vergeten de stamkaarten tegen 4 Juni bij elkaar te krijgen en in mijn woonplaats om de toeslag te gaan. Maar dan kwam de ontgoocheling en tevens de woede over zoveel bureaucratie. Want wij allen hadden niet gezien dat op het kaartje stond (en zij die het gezien hadden dachten aan een vergissing): Afhalen loket D.K. Oostburg!
De woorden, die dan gezegd zijn, horen niet geschreven te worden, maar te begrijpen was het dat men ze zei. Is het geen schande dat in deze tijd van veel werk, van Wederopbouw, waar ieder op een huis enz. zit te wachten, de mensen een paar uur moeten verzuimen om de hun toekomende extra bonnen in Oostburg te gaan halen? Gaan we nu trachten vooruit te gaan of moet het steeds erger worden? Laat alle werkgevers, werknemers en bonden hier een krachtig protest laten horen tegen een dergelijke verspilling van tijd, nu elke minuut kostbaar is.

Een werkgever

Haagsche Hopjes
Nogmaals het nijpende dienstbodevraagstuk
In de Zwolse courant kwam onlangs de volgende advertentie voor: “Nette dienstbode gevraagd, liefst uit boerenstand. Desgewenst tegen ruiling van hooi. Nieuwe ruilhandel, werkkrachten tegen hooi.”
Tegen een tabaksbon of snoepkaart zou ik me nog kunnen indenken, maar hooi. Welk mens eet er nu hooi, ik geloof zelfs een vegetariër niet. Blijkbaar stelt deze werkgever, die zo te hooi en te gras een dienstbode oproept, geen voldoende vertrouwen meer in onze munt en betaalt hij daarom in goederen of is hij zodanig door de vermogensaanwasbelasting getroffen of door de heffing ineens, dat hij in eens alles aan den fiscus heeft moeten offeren. Gelukkig heeft hij dan nog zijn hooi overgehouden; daarmee konden ze bij Financiën, waar ze allemaal auto’s hebben en geen rijpaard, toch niets beginnen.

Deviezen
Een paar weken geleden hadden we het in “De Schakel” over de Nota van Minister Lieftinck omtrent de toestand van ‘s Lands financiën en we zouden daarop nog nader terugkomen. We zullen de lezer een dorre opsomming van de daarin gegeven cijfers besparen en ons beperken tot de hoofdzaak, n.l. de deviezen. Het woord “deviezen” werd vroeger slechts zelden gebruikt en wel alleen door vaklieden, doch tegenwoordig wordt het door een ieder in de mond genomen en blijkbaar ook door iedereen begrepen. Men verstaat daaronder buitenlandse betaalmiddelen, voor ons dus voornamelijk dollars, ponden en francs. Om zijn verblijf in het buitenland te betalen of daar inkopen te doen, moet een Nederlander over deviezen beschikken. Vroeger kon hij zijn guldens hier te lande onbeperkt omzetten in vreemde valuta, doch de laatste jaren wordt dit niet meer toegelaten omdat de positie waarin de oorlog ons land heeft gebracht tengevolge heeft, dat wij veel meer schuld aan het buitenland hebben dan het buitenland aan ons land heeft te betalen en die schuldenlast mogen we niet nodeloos vergroten; deswege geen onbeperkt omzetten meer van guldens in vreemde munt. Vroeger was wat men onze betalingsbalans pleegt te noemen in evenwicht. Weliswaar verkochten wij aan het buitenland jaarlijks voor een halve miljard minder dan wij er voor afnamen, was er dus een nadelig saldo van 1/2 miljard op onze z.g. goederenbalans. Doch de betalingsbalans werd in evenwicht gebracht door betalingen aan ons voor door ons bewezen diensten, zoals het buitenlands scheepvaartvervoer door Nederlandse maatschappijen en voorts en vooral door inkomsten van onze in het buitenland belegde gelden en door verkoop, via Nederland, van Indische producten. Deze posten op de betalingsbalans vulden het tekort op de goederenbalans geheel aan. Beide balansen zijn thans ernstig verstoord, omdat we veel meer uit het buitenland aan consumptie-artikelen, grondstoffen en machines moeten invoeren dan we uit dien hoofde kunnen uitvoeren en voorts, omdat onze scheepvaartmaatschappijen ook dusdanig door de oorlog zijn getroffen, dat ze slechts over ongeveer de helft van hun vroegere vervoerscapaciteit beschikken en tenslotte omdat onze z.g. Indische winsten geheel zijn weggevallen.

Op de betalingsbalans voor 1947 was het nadelig saldo door het Centrale Planbureau geraamd op 1,4 miljard en door de plaats gehad hebbende prijsstijgingen in het buitenland wordt dat nadelig saldo volgens de Nota Lieftinck thans op niet minder dan 2,2 miljard geraamd. De eerste vraag die thans moet worden opgelost is dus, hoe dat tekort op onze betalingsbalans voor 1947 kan worden weggewerkt en de daarop volgende kwestie geldt het treffen van maatregelen, om op den duur tot een evenwichtige balans te komen. Voor dit jaar zal dat volgens de Minister kunnen geschieden door het opnemen van nieuwe kredieten in het buitenland en door de al of niet vrijwillige verkoop van buitenlandse effecten, waardoor de Minister het uiteindelijk nadelig saldo voor 1947 van 2,2 miljard hoopt terug te brengen tot ongeveer 600 millioen gulden. Verder zal verbetering in de positie kunnen worden verkregen, door de importen te verminderen en de exporten te verhogen. Hier dreigt ook weer de vicieuze cirkel, want verlaging van de import van grondstoffen en machines zal ten gevolge hebben, dat de export van afgewerkte fabricaten vermindert. Ten aanzien van de in het buitenland op te nemen kredieten moet men nog bedenken, dat daarmede wel de gaten in de betalingsbalans van het lopende jaar worden gestopt, doch dat die in de vorm van rente en aflossingen toch weer op de betalingsbalansen van de komende jaren zullen drukken. Het aspect is somber en Minister Lieftinck staat hier voor bijna onoverkomelijke moeilijkheden; de belastingschroef verder aandraaien is gevaarlijk, omdat de grens van draagkracht reeds thans bijna overschreden is en ook omdat een verzwaring van de belastingdruk de financiële positie van ons bedrijfsleven zodanig verzwakt, dat het vertrouwen van het buitenland, dat onmisbaar is om ons krediet te verlenen, beneden het nulpunt zou dalen.

Aan het slot van zijn nota inzake de deviezenpositie zegt minister Lieftinck: “In het licht van de zorgelijke deviezenpositie van Nederland in de komende jaren gezien, is het noodzakelijk gebleken, een regeling te ontwerpen, welke ten doel heeft nog scherper dan tot dusverre toe te zien op een zo nuttig mogelijk gebruik van de beschikbare deviezen. Hieraan zullen maatregelen worden verbonden,die er op gericht zijn de deviezeninkomsten zoveel mogelijk op te voeren. Met dit doel worden onder depersoonlijke leiding van de ondergetekende de prioriteiten opnieuw onder het oog gezien en wordt onderzocht op welke wijze het invoerprogramma 1947 verder kan worden besnoeid, opdat hij aan zijn ambtgenoten dienovereenkomstige voorstellen zal kunnen doen. Daarbij worden de deviezenbegrotingen van de departementen eveneens herzien, met inbegrip van die van marine en oorlog. Hierbij zal vooral de nadruk dienen te worden gelegd op aankopen, welke ertoe leiden, dat onze exportcapaciteit wordt opgevoerd. De definitieve sanering van de Nederlandse betalingsbalans valt of staat met ,de opvoering van de export van goederen en diensten in het algemeen. Alle krachten zullen derhalve moeten worden ingespannen teneinde de export zoveel mogelijk te bevorderen. Meer dan ooit zijn de deviezen te beschouwen als de brandstof waarop de Nederlandse machine loopt. Het herstel van ons land is evenwel een zaak waaraan het gehele volk zal moeten medewerken en waarvoor van een ieder een offer mag worden gevraagd”, aldus de minister. Hij verwijst in dit verband naar zijn uitspraak in de jongste nota betreffende de toestand van ‘s Rijks financiën, waarin de drie onmisbare voorwaarden tot de werkelijke verbetering van de toestand worden genoemd: de opvoering van de arbeidsproductiviteit, de vergroting van de export en de toeneming van de spaarzaamheid.

Over het eerste punt, de opvoering van de arbeidsproductiviteit, behoeft niet veel gezegd te worden. Het spreekt vanzelf dat men om uit moeilijkheden te komen, harder moet werken dan wanneer alles in het leven van een leien dakje gaat. We schreven daarover destijds in “De Schakel” onder het hoofd “Pompen of verdrinken” al het een en ander en volstaan met de daar in vervatte conclusie dat, wanneer het Nederlandse volk er met zijn achturige werkdag niet komen kan en de redding van ons land zulks zou eisen, we van die voor normale tijden ingestelde kortere arbeidsduur, maar voor een paar jaar afstand moeten doen.

Het tweede punt, de vergroting van de export, spreekt voor zichzelf. Voor Zeeuws-Vlaanderen kunnen we daarbij aantekenen, dat dit zijn bijdrage aan die export gaarne zo hoog mogelijk opgevoerd wenst te zien; wanneer nog meer kunstmest ter beschikking kan worden gesteld, zal hier de productie nog worden opgevoerd. Over 1946 heeft de land- en tuinbouw, de veeteelt, de bloembollencultuur (allemaal onderdelen van de agrarische sector) zomede de visserij, ons land aan meer dan 500 miljoen gulden aan deviezen opgeleverd, de helft van de totale export over dat jaar. Het platteland mag daar trots op zijn, al heeft men daar dan ook langer dan acht uur per dag voor moeten werken.

Het derde punt, toeneming van de spaarzaamheid, behoeft ook geen uitvoerige toelichting. Wanneer we onze inkopen, vooral van buitenlandse artikelen, beperken tot het hoogst nodige zodanig dat we toch nog een comfortabel bestaan hebben – en we stellen niet strikt noodzakelijke aanschaffingen uit tot later, dan snijdt het mes van twee kanten. In de eerste plaats behoeft ons land dan minder in te voeren en dus minder deviezen uit te geven, terwijl het aan de andere kant de voor export in aanmerking komende goederencapaciteit verhoogt, zodat we meer naar het buitenland kunnen verkopen en dus weer meer deviezen ontvangen. Door deze beide factoren vermindert het nadelig saldo op onze betalingsbalans op de meest doeltreffende wijze. Bovendien heeft de spaarder de zekerheid, dat hij te zijner tijd voor zijn gespaard geld meer en betere en goedkopere artikelen zal kunnen aanschaffen, dan thans het geval is. Tot slot ontstaat dan nog de mogelijkheid – vele kleintjes maken een grote – dat er binnenlands kapitaal wordt gevormd voor belegging in Nederlandse industrieën voor oprichting of uitbreiding daarvan, waarmede dan ons productieapparaat voor de export weer aanzienlijk kan worden uitgebreid, met alweer een hogere ontvangst van deviezen, totdat onze betalingsbalans sluitend zal zijn of zelfs weer een overschot kan opleveren.

Voetbaldiagnose
Door systematische oefeningen de spieren ontwikkelen, lenig te maken en onder controle brengen, noemt men “sport”. “Sportief” is een eerlijk en objectief zich bewegen op het gebied der sport. Als deze definities (van een der eminentste sportdeskundigen) juist zijn, moeten wij wel tot de ontstellende conclusie komen, dat wij Zeeuws-Vlamingen niet in, maar naast de voetbalsport leven. Waar wordt systematisch geoefend? Berust ons voetbalspel alleen maar op “wedstrijdspelen”, dan is het “spel” maar geen manifestatie van “sport”! Het uitleven van restant energie is geen ‘sport’. En hoe staat het met onze sportiviteit? Een Zeeuws-Vlaming is ongetwijfeld eerlijk, objectief zeker niet, de meningen over een spelsituatie zijn vaak zo verschillend als er paren ogen op gevestigd zijn. Dat er steeds nog enkelen zijn die hierover een soort “gecultiveerde amok” maken is reeds meer behandeld.
Samenvattend zijn er dus weinig sportmensen en een minimum sportiviteit. Willen wij ondanks alles toch nog genieten en deelnemen aan werkelijke “sport”, dan moet er veel veranderen.
Ten eerste moeten, vooral jeugdige, voetballers systematisch gaan oefenen iedere dag een uur, een geschikte oefenplaats zowel als passende oefeningen zijn met goede wil te vinden. De toeschouwer dient zich, om werkelijk te genieten van hetgeen aangeboden wordt, te ontdoen van persoonlijke sympathie en/of antipathie en zich te wagen aan de regels waaraan in de desbetreffende sport moet worden voldaan.
Dan en dan alleen, gaat onze sport vooruit.

Voetbaldiagnose
De competitie is afgelopen voor Breskens. Langzaam ging de kaars uit, de laatste opflikkeringen die een uitgaande kaars met zich meebrengt, ontbraken echter nog. Ons spel bleef tot het laatste ogenblik een weinig sloom, maar bovenal star. Berekend, met een schijnbaar zekere overwinning in zicht, wat maar al te vaak een illusie bleek. Vooral de laatste zes wedstrijden kenmerkten die schijnovertuiging. Het bedeesde dogmatische optreden van ons elftal werkt stimulerend op de tegenstanders. Vooral Internos reageerde heftig. Onbekwaam was zeker de scheidsrechter, ofschoon het moeilijk was, onder de velen die de reis naar Etten meemaakten, enkelen te vinden, die het voor gevallene juist konden weergeven. Ongetwijfeld hebben veel Ettenaren nog heel wat te leren. Maar door dergelijke gebeurtenissen de nederlaag trachten goed te praten wijst er op, dat ook Breskens nog wat te leren heeft, al is het dan in andere zin.
Een felle aanklacht tegen de ongure elementen in v.n. wedstrijd, o.m. ook de scheidsrechter, is nodig. Voor Breskens moet het doordringen dat er wegen zijn om dergelijke conflicten, zonder kleerscheuren en met een overwinning, te doorstaan.

Haagse Hopjes
Uit de prutsen
In het “Haags Dagblad” van 2 Mei lazen we, dat in 1939 de Nederlandse rundveestapel uit 1.549.000 melk- en kalfkoeien bestond, maar in 1947 zullen 1.289.000 stieren aan de productie van melk deelnemen.
Nu zijn we uit de prutsen en als we nu al die melk zelf niet kunnen opdrinken, gaan we ze uitvoeren en dan krijgen we voor die stierenmelk een hoop deviezen. Die melk schijnt erg vet te zijn en de Engelsen die zo graag “John Buil” – Jan Stier – genoemd worden, zijn er gek op. En de moffen, die vroeger meestal zo’n stierennek hadden, zitten ook al te likkebaarden; ze willen ons met dollars betalen. Wanneer we nu onze hanen nog zo ver kunnen krijgen, dat ze iedere keer als ze kraaien een ei leggen, dan gaan de eieren ook weldra van de bon.
Over stieren gesproken, zo lazen we onlangs een wetenschappelijke beschouwing over de kunstmatige bevruchting van koeien, die in het buitenland al met veel succes wordt toegepast. Hoe dat gaat kunnen we in dit kort bestek niet aangeven; wel dat het een kwestie is van een injectie. Als dat doorgaat in ‘t groot komt de klad in het beroep van stier en in elk geval gaat de aardigheid er af. Dan komt de stier – of wat we daar voor nodig hebben – in de vorm van een tube met inhoud per post op de boerderij, waarmede we dus aan de postbode een gedeelte van de functie van de stier overdragen. Ja, waar de moderne wetenschap de mens al niet toe brengen kan. Als je het zo nagaat is een stier toch wel een veelzijdig dier. In Den Haag geeft hij – tenminste volgens het Haagse Dagblad – behoorlijk melk en in Limburg, geachte lezer, levert een stier ooft, n.l. heerlijke winterperen. Dit is een feit en schrijver dezes heeft die winterperen dikwijls in Maastricht gegeten; een ware delicatesse. We willen de belangstellende lezer wel eens in het oor fluisteren, wat voor soort ooft dat eigenlijk is. Maar om op die stierenmelk terug te komen, wat zullen we stierlijk het land in krijgen, als we er te veel van drinken.

Geen lapmiddelen
Een dokter van de moderne richting, althans van deze eeuw, bestrijdt niet meer zoals in vroeger tijden de gevolgen van een kwaal, doch tracht vooral de oorzaak van een ziekte op te heffen. Hij snijdt de kwaal uit en maakt daarmede het organisme van de patiënt weer zoveel mogelijk normaal. Deze moderne opvattingen zouden wij ook zo graag toegepast zien door onze Regeringspersonen, ook zij behandelen thans allemaal een zieke patiënt, de Staat der Nederlanden, maar naar onze mening doen ze dat op een geheel verkeerde manier. Ook zij dokteren, zij bestrijden de gevolgen van de kwaal, doch trachten veel te weinig de oorzaken van de kwaal op te heffen. Zij snijden het kwaad niet uit, doch geven een zalfje en een poeiertje en leggen een verbandje op de zieke plaats. In deze grote tijden helpen geen lapmiddelen en zeker niet in ernstige gevallen. We moeten nu doordringen tot het hart der dingen, tot de kern van het probleem. Zo hebben we, om een voorbeeld te noemen, het probleem der ambtenarij, waarover in de laatste maanden in de Pers al zoveel te doen is geweest en waaraan men ook in de Kamers der Staten-Generaal onlangs zoveel aandacht heeft besteed. Een ieder die met een Overheidsinstantie te maken heeft tegenwoordig, klaagt er over en daarom zijn de ambtenaren in ons land thans dan ook verre van populair. Enkele van die critici gaan in hun overdrijving zo ver, dat ze de ambtenaren zien als nutteloze, als schadelijke elementen in de maatschappij, wezens die er alleen maar zijn om onze dure belastingpenningen op te maken en ons het leven zo onaangenaam mogelijk te maken, kortom ongedierte, dat maar zo gauw mogelijk moet worden opgeruimd. Soortgelijke uitlatingen zijn vooral schering en inslag, wanneer hier of daar weer eens een geval van corruptie wordt gesignaleerd. Helaas zijn deze gevallen tegenwoordig aan de orde van de dag en toch mag dit ons geen aanleiding geven, om alle ambtenaren van corruptie te betichten. Overal is kaf onder het koren en deze algemene regel geldt evenzeer voor het ambtenarencorps. Het is een bekend feit, dat de Nederlandse ambtenaar vóór de oorlog in het buitenland bekend stond als uiterst bekwaam, eerlijk en correct. Dat zich thans meer gevallen van corruptie voordoen dan vroeger het geval was, ligt voor de hand. In de eerste plaats is het aantal ambtenaren na de oorlog enorm uitgebreid; bij de honderd en één diensten, bijzondere en tijdelijke diensten en bedrijven, zijn tienduizenden ambtenaren tewerk gesteld, dikwijls mensen zonder voldoende opleiding en bij gebrek aan betere, werd ook in vele gevallen maar lukraak personeel aangenomen en veel te weinig selectie toegepast. Kortom, Jan Rap en zijn maat kwam in Overheidsdienst en daarom valt het niet te verwonderen, dat er thans meer kaf onder het koren zit dan vroeger het geval was.

Een tweede factor is de funeste invloed, die de oorlog op de mens in het algemeen heeft uitgeoefend, doch deze is algemeen en geldt dus zowel voor de ambtenaar als voor de particulier. En nu zal er toch wel niemand durven beweren, dat de gemiddelde maatstaf van eerlijkheid, ook van de particulier, thans nog even hoog zou liggen als voor de oorlog het geval was. We kunnen deze zaak het eenvoudigst stellen als volgt: de ambtenaar is een mens als ieder ander, derhalve is hij ook als een gewoon mens behept met uitstekende, goede, minder goede of slechte eigenschappen. Daaruit volgt dat, wanneer we vandaag aan de dag al onze ambtenaren in Nederland zouden ontslaan en hen zouden vervangen door andere personen uit onze maatschappij, we wat betreft de mentaliteit van het ambtenarencorps er niet op vooruit zouden gaan en de praktijk zou uitwijzen, dat we binnen korten tijd wederom van corruptie zouden horen. Wij persoonlijk zijn van mening, dat de antipathie, welke momenteel ten opzichte van de ambtenaren bestaat, in feite minder de ambtenaar geldt dan wel de eigenlijk gezegde ambtenarij. Nogmaals, er is geen enkele reden om aan te nemen, dat iedere ambtenaar corrupt of ondeskundig zou zijn of dat hij uit slechte neigingen, uit zucht tot heersen en bedisselen, opzettelijk het publiek zou sarren en benadelen. Zo is het in zijn algemeenheid beslist niet en toch zijn de bovengeschetste grieven van het publiek tegen de ambtenarij als regel wel gegrond. Het publiek wordt dikwijls niet goed gediend en veelal ook te langzaam geholpen. Doch daaraan zijn voor alles schuld de veelheid der diensten en de ingewikkelde werkwijze die gevolgd moet worden; te weinig decentralisatie en vooral te weinig zelfbeslissingsbevoegdheid. Daarin zit de kern van dit probleem en wanneer men van Overheidswege de moed en de wil bezat om daaraan een einde te maken, zou de zaak weer even gesmeerd lopen als vroeger. Wanneer men de verschillende diensten terugbrengt tot het hoogst nodige en de verschillende bezettingen dier diensten en bedrijven reduceert tot een zodanig peil, dat alles nog lopen kan zoals het behoort, dan is ook een selectie van de ambtenaren, die nog over moeten blijven, mogelijk en kan zeker het kaf van het koren worden gescheiden. Voordat onze tegenwoordige machthebbers tot zulke maatregelen zullen overgaan, een maatregel die vele heilige huisjes zou treffen, zullen we nog veel blaadjes van onze scheurkalender kunnen trekken, tenzij de zorgelijke financiële toestand van onze schatkist onze tegenwoordige regeerders daartoe reeds binnenkort zou dwingen.

De duizendtallen afvloeiende werkers van vadertje Staat zouden alsdan in het gewone productieapparaat kunnen worden ingeschakeld en, gezien het bestaande tekort aan arbeidskrachten aldaar, zeer nuttig en productief werk kunnen verrichten. Ook hier dus geen lapmiddelen gebruiken, doch de grote lijn uitzetten en volgen; versobering en vereenvoudiging van de Landsdiensten in alle geledingen, zonder pardon en met terzijdestelling van persoonlijke belangetjes. Hier is een algemeen belang te dienen en daarbij mogen geen heilige huisjes of Onze Lieve Heerbeestjes gespaard worden. Men geeft wel eens te kennen, dat onze tegenwoordige ambtenarij een gevolg is van de geleide economie. Geleide economie betekent, dat de Overheid in meerdere of mindere mate leiding geeft aan ons economisch leven. Het wil ons voorkomen, dat in deze naoorlogse tijden zelfs de meest principiële voorstander van vrijhandel tegen het leiding geven aan ons economisch bestel geen bezwaar mag maken, omdat onze maatschappij zich thans nog in een dusdanig ontredderde toestand bevindt, dat een algehele vrijlating van de economische krachten en machten thans tot een volslagen debacle van onze staats- en volkshuishouding zou voeren. Er zijn natuurlijk voor- en tegenstanders van geleide economie en beide verdiepen zich in uitersten. Tegenstanders van prijsbeheersing bijvoorbeeld halen hun argumenten uit het feit, dat tengevolge van de prijsvaststelling van een bepaald product, de producent of tussenhandel daaraan te weinig verdient of daarop zelfs weleens zou toeleggen, doch dat alleen is geen afdoend argument tegen geleide economie. Evenmin is een afdoend argument voor de geleide economie, de grote winst en de macht van de grote trusts en wereldconcerns, zoals dikwijls door voorstanders wordt aangevoerd. Deze gehele zaak is niet zo eenvoudig, doch zoals gebruikelijk ligt ook hier de waarheid weer in het midden, dus tussen de uitersten van vrijhandel aan de ene zijde en prijsbeheersing aan de andere kant. Zoals meerdere economen tegenwoordig zeggen, we moeten hebben een evenwicht tussen dwang en vrijheid, uiteindelijk derhalve vrijhandel onder, controle van de Overheid. We zeggen “uiteindelijk”, want voorlopig kan er nog geen sprake zijn van het loslaten der prijsbeheersing, om de doodeenvoudige reden, dat de beschikbare hoeveelheid goederen daarvoor nog te gering is. Eerst wanneer dat tekort zal zijn opgeheven, mag de vrijhandel zijn intrede doen en kunnen we het spel van vraag en aanbod gerust zijn gang laten gaan. Op de prijsbeheersing als zodanig hebben we dus niets tegen, doch wel tegen de wijze waarop zij werkt.

Er bestaat thans een “Prijzenboekje 1947”, waarin een ieder kan naslaan, wat hij voor een bepaald artikel moet betalen. Zo’n handleiding kan zeker geen lang leven beschoren zijn, want bij een import van geringe omvang als thans mogelijk is, bij alle fluctuaties op de wereldmarkt in de prijzen van goederen en grondstoffen, moeten de kostprijzen bijna van dag tot dag veranderen, zodat het wel zeker is te achten, dat de fabrikant of winkelier zich aan de vastgestelde prijzen niet lang zal kunnen houden, nog daargelaten de bereidheid van het publiek om een z.g. zwarte prijs te betalen voor die goederen, waaraan het op dat ogenblik juist zulk een grote behoefte heeft. Met dit lapmiddel, met deze papieren prijsbeheersing komen we er dus ook hier niet. Tegen het voorlopig nog vaststellen van prijzen voor de meest noodzakelijke levensbehoeften mag geen bezwaar bestaan, omdat het een levensbelang voor Nederland is, dat het evenwicht tussen lonen en prijzen nog in de hand wordt gehouden. Doch wanneer men dan voor die eerste levensbehoeften de prijzen vaststelt, zal men meer dan thans het geval is, rekening moeten houden met de werkelijkheid en min der bouwen op de fantasie van theorieën toepassende “leiders” der economie. Men zal evenzeer rekening moeten houden met de belangen van de producenten als met die van de consumenten, in tegenstelling met de thans door onze Regering gehuldigde opvattingen ter zake, n.l. dat men all de consument ter wille moet zijn. Geen geleide economie alleen te laste van de producent of de middenstand.

We moeten in Nederland komen tot een verhoging van productie, waardoor het aanbod van goederen kan groeien waarmede we telkens een stap doen naar de uiteindelijke vrijhandel en de vervelende en lastige prijsbeheersing een natuurlijke dood kan sterven. Al het andere is en blijft lapwerk, een verplaatsing van moeilijkheden en een verschuiving naar de toekomst. We lappen en prutsen, stoppen het ene gat met het andere; het is een politiek van “God zegen dé greep’’, de grote lijn is ook hier weer zoek, en zo sukkelen we maar voort, tot dat we vastlopen of tot dat er andere schippers zullen opdagen, die ons schip van staat door de moeilijkheden heen zullen loodsen, nadat zij eerst de grote lijn, een vast bestek zullen hebben uitgezet. Moge het spoedig zijn!

Voetbaldiagnose
Techniek is een verrichting van het lichaam, tactiek begeeft zich op verstandelijk terrein. Beiden zijn onmisbaar in een goed elftal. Ofschoon de overgang tussen tactiek en techniek moeilijk te bepalen is, moeten we beiden als afzonderlijke begrippen classificeren. Een kort peuterig spel, zoals ook Breskens wel eens laat zien, is geen tactiek maar een uitvloeisel van “technisch demonstreren dat men boven de tegenstander staat”. We moeten echter bekennen, dat er aan onze techniek nog wel eens iets te verbeteren is, de praktijk liet ons in ieder geval zien, dat wij door dat tik-tak-spel de kracht van ons elftal benadeelden. Vooral de laatste jaren is door clubleiders oefenmeesters etc. zoveel aan systeemspelen gedaan dat er nu bijna van een stopperspilcomplex wordt gesproken.
Het stopperspilsysteem zoals de Engelsen het met hun specifiek starre volksaard spelen, past niet voor iedere club, zeker niet voor de Zeeuws-Vlaamse. Aan een star systeem volhouden, is evenzeer fout, als een systeemloos spel. In plaats van zich te wagen aan een futloos en doelloos baltrappen, op de nu toch te warme voetbalvelden, moeten voetballers zich voornemen iedere week iets over systemen te leren.

Max

WV

Dit bericht is geplaatst in De Schakel. Bookmark de permalink.